Algemene informatie – rekenvaardigheid oefenen

Rekenvaardigheden zijn voor nodig voor assessments. Niet alleen omdat rekenvaardigheden de basis vormen van bijvoorbeeld redactiesommen, cijferreeksen en tabellen. Ook omdat rekenvaardigheden zelf een onderdeel kunnen zijn op een assessment.

Rekenvaardigheden zijn snel met oefening te verbeteren waardoor je score op het assessment met sprongen vooruit kan gaan. Op deze pagina lees je precies hoe je je het beste op rekenvaardigheden voorbereidt.

Wat zijn rekenvaardigheden

Rekenvaardigheden zijn simpelweg het kunnen uitvoeren van eenvoudige berekeningen: optellen, aftrekken, vermenigvuldigen, delen, wortels en machten. Daarnaast komen breuken, procenten en functies voor. Lastiger wordt het als er indexcijfers en wisselkoersen worden getoetst.

Zoals gezegd zijn rekenvaardigheden in ieder geval de basis voor élk assessment. Afhankelijk van het specifieke assessment zijn er bepaalde beperkingen. Bijvoorbeeld het gebruik van een rekenmachine. Het beste is om rekenvaardigheden voor te bereiden als hoofdrekenen. Daar heb je op het assessment het meeste aan. Daarnaast kan je dan eventuele moeilijke opgaven nog met een rekenmachine controleren.

Rekenvaardigheden en numeriek redeneren

Rekenvaardigheden vallen onder de categorie numeriek redeneren. Over het algemeen bestaat een assessment uit: abstract redeneren, verbaal redeneren en numeriek redeneren. Numeriek redeneren toetst het vermogen om cijfermatige informatie juist en snel te kunnen analyseren. Voor elk numeriek onderdeel heb je rekenvaardigheden nodig.

Er zijn vier onderdelen waar je rekenvaardigheden kan verwachten: rekenvaardigheden, redactiesommen, cijferreeksen en tabellen.

Rekenvaardigheden

Je moet in ieder geval over de basis beschikken: snel hoofdrekenen met (grote) getallen, breuken, procenten en decimalen. Daarbij moet je in ook in staat zijn om breuken makkelijk te kunnen omrekenen naar decimalen en procenten.

Redactiesommen

Redactiesommen zijn ook wel bekend als verhaalsommen. Je krijgt een paragraaf te zien en je moet uit deze paragraaf de juiste informatie halen om een berekening uit voeren. De berekeningen zijn vaak vrij eenvoudig. Het gaat om het kunnen vinden van de juiste gegevens.

Cijferreeksen

Cijferreeksen zijn een veelvoorkomend onderdeel op assessments. Hierbij heb je in ieder geval de basis rekenvaardigheden bij nodig. Bij sommige assessmentbureaus zijn de reeksen lastiger. Dan moet je ook met machten, wortels en breuken kunnen rekenen.

Tabellen

Tabellen en grafieken staan bekend als één van de lastigste assessment onderdelen. Veel kandidaten hebben hier moeite mee. Je krijgt informatie in een grafiek of tabel te zien. Vervolgens moeten berekeningen op basis van deze informatie worden gedaan.

Voorbeeld: delen door breuken

0,0012 : 1/3 = ?

In dit voorbeeld moet je met decimalen en breuken aan de slag. De eerste rekenregel die toepast is: delen door een breuk is hetzelfde als vermenigvuldigen met het omgekeerde. Dus,

0,0012 x 3/1 = ?

0,0012 x 3 = ? – breuk herschrijven van 3/1 naar 3

? = 0,0036

Voorbeeld: decimalen

0,035 : 0,007 = ?

Decimalen zijn makkelijk op te lossen door deze als geheel getal te behandelen, de berekening uit te voeren en tot slot de nullen “terugzetten”. Dus,

0,035 : 0,007 = ? – twee nullen “eraf halen”

35 : 7 = ?

? = 5

? = 0,005 – twee nullen “terugzetten”

Voorbeeld: indexcijfers

Periode Indexcijfer (oud)
1* 100
2 110
3 99

*basisjaar = 100

Stel dat het basisjaar wordt verlegd van periode 1 naar 2. Wat is dan het indexcijfer voor periode 3?

In het basisjaar is het indexcijfer gelijk aan 100. Dus wordt het indexcijfer van periode 2 op 100 gesteld. Om het indexcijfer van periode 2 op 100 te stellen, moet het oude indexcijfer (110) door 1,1 worden gedeeld. Dat betekent dat alle indexcijfers door 1,1 moeten worden gedeeld:

Periode Indexcijfer (nieuw)
1 = 100 / 1,1 = 90,9
2* = 110 / 1,1 = 100
3 = 99 / 1,1 = 90

*basisjaar = 100

Oplosstrategie rekenvaardigheden

Basis herhalen en aanleren

Allereerst is het belangrijk om de basis weer op te halen en waar nodig aan te leren. Je zult in ieder geval alle standaard berekeningen moeten beheersen: optellen, aftrekken, vermenigvuldigen, delen, breuken, decimalen en procenten.

Hoofdrekenen

Naast de basis is het zinvol om hoofdrekenen te oefenen. Dat doe je door simpelweg alle berekeningen uit je hoofd te doen. Waar nodig controleer je dan met behulp van een rekenmachine.

Het is aan te raden om net als vroeger “rijtjes” te leren. Denk hierbij aan de volgende getallen:

  • Kwadraten: leer de kwadraten tot en met 25 je hoofd.
  • Wortels: die weet je dan ook tot en met 25.
  • Breuken: zorg dat je breuken tot en met 1/20 (dus ½, 1/3 … ) kunt geven in decimalen.

Schatten

Als je beschikt over de basis is het zaak om jezelf aan te leren goed te kunnen schatten. Vaak moet je vrij grote berekeningen uitvoeren. Of met ogenschijnlijk grote getallen rekenen. Door bekend te zijn met getallen en goed te kunnen schatten, kan je dan vaak foute antwoordmogelijkheden wegstrepen.

Bijvoorbeeld 5,99995 x 1,48915 = ?.

  1. 9,1348255425
  2. 9,9348255424
  3. 8,9348255425
  4. 8,9348255424

Er staat eigenlijk ongeveer 6 x 1,5 = 9. Omdat de getallen net iets kleiner dan 6 en 1,5 zijn moet het antwoord net iets lager zijn. Daarnaast moet het antwoord op een 5 eindigen want 5 x 5 = 25. Zo kan je snel foute antwoordmogelijkheden uitsluiten. Dan moet het antwoord dus C zijn, zonder dat hier een berekening voor nodig is.

Assessmentbureaus

Meerdere assessmentbureaus toetsen het onderdeel rekenvaardigheden: NOA, Pearson en HFM. Elk bureau toetst dit op verschillende manieren. Maar er is een grote overlap in de technieken die je moet beheersen.