Algemene informatie

Veel Assessments zijn opgebouwd uit drie onderdelen (abstract, verbaal en numeriek). De onderdelen die je per test kunt verwachten verschillen echter sterk. Zowel qua wat er verwacht wordt aan vaardigheden als aan hoe je score wordt opgebouwd. De onderdelen die je kunt krijgen als je Verbaal redeneren moet maken zijn: teksten analyseren, syllogismen, analogieën en woordkennis.

Verbaal redeneren wordt in sommige testen niet gebruikt omdat dit sterk cultuur afhankelijk is. Je hebt bijvoorbeeld in het buitenland hebt gewoond, een Engelstalige studie gevolgd of er wordt thuis weinig Nederlands gesproken. Dan heeft dit een bewezen negatief effect op je score. Andersom geldt dit natuurlijk ook. Het is ook lastig om een eventuele achterstand in te halen in de korte periode die je vaak hebt voordat je een test moet maken. Immers, je woordkennis wordt opgebouwd gedurende je hele leven en dat is in een paar dagen weinig te verbeteren.

Je kan wel makkelijk je aanpak verbeteren en leren hoe de testen werken. Daarom is het verstandig om je goed voor te bereiden op testen met verbaal redeneren.

Waarom?

Het vermogen om snel de juiste conclusies te trekken op basis van verbale (geschreven) informatie is en wordt steeds belangrijker in het bedrijfsleven. Hoe sneller en nauwkeuriger je dit doet hoe groter je intelligentie en dat laatste draagt bewezen bij aan carrière succes. Je kunt je ook wel voorstellen dat met de groeiende hoeveelheid e-mails en rapporten het steeds lastiger wordt om snel de juiste conclusies te trekken. Het vermogen om dit goed te doen, geeft ook een indicatie hoe goed jij je kunt uitdrukken. Dat is ook een vaardigheid die essentieel is in je verdere loopbaan.

Teksten analyseren

Het analyseren van teksten is het onderdeel van verbaal redeneren wat het meest lijkt op wat je in het dagelijks leven doet: het lezen van teksten. Je moet een stuk tekst beoordelen aan de hand van een stelling of een vraag. Dat betekent dat je een tekst goed moet doorlezen om snel en nauwkeurig het juiste antwoord te kunnen bepalen.

Je hebt grofweg twee varianten:

  1. Je moet van een stelling aangeven of deze ‘waar’, ‘niet waar’ of ‘niet te beoordelen’ is.
  2. Je wordt geacht uit vier stellingen de juiste te kiezen.

Complexiteit zit bijvoorbeeld in synoniemen of in afwijkingen van de werkelijkheid die volgens de tekst wel logisch juist zijn. Je zult soms dus een stuk voorkennis achterwege moeten laten.

Syllogismen

Syllogismen zijn de meest abstracte manier van verbaal redeneren. Je krijgt verschillende premissen/kaders waarna je binnen deze kaders een stelling moet beoordelen. Bijvoorbeeld:

Alle dieren hebben hoorns.

Alle mieren zijn dieren.

Stelling: Alle mieren hebben hoorns.

Deze stelling is correct omdat alle dieren hoorns hebben en alle mieren dieren zijn. Je hebt hier uiteindelijk slechts een aantal varianten van. Dus door dit goed te oefenen kun je alle syllogismen goed beantwoorden. Opvallend is dat je bij syllogismen niet per se de betekenis van de woorden hoeft te kennen.

Analogieën

Om analogieën goed te kunnen maken, moet je allereerst zeer veel woordkennis hebben. Daarnaast moet je de relatie tussen woorden onderling goed begrijpen. Een hamer wordt bijvoorbeeld gebruikt om een spijker ergens in te slaan. Hetzelfde geldt voor een racket en een bal. Omdat beide zinnen exact dezelfde relatie hebben kun je spreken van een analogie.

Er zijn echter nog meer soorten analogieën. In totaal zijn er zes soorten analogieën en daarbinnen zijn weer veel varianten. Het feit dat er niet onbeperkt veel analogieën zijn, maakt dit onderdeel zeer trainbaar. Hoe meer je dit oefent, hoe meer opties je in je parate kennis meeneemt waardoor je sneller en nauwkeuriger de analogieën kunt oplossen.

Woordkennis

Het onderdeel woordkennis is het lastigst te oefenen. Een mens bouwt gedurende zijn of haar hele leven,afhankelijk van de omgeving, een woordenschat op. Hierbij spelen zowel onderwijs, afkomst, omgeving maar ook persoonlijke interesses een rol. Zo kan iemand wel alles over muziek en instrumenten weten maar niets van biologie en natuur. Om deze reden is dit onderdeel erg cultuur afhankelijk en is het lastig om kandidaten op dit onderdeel met elkaar te vergelijken.

Woordkennis wordt op grofweg twee manieren getoetst. Bij de eerste manier moet je simpelweg de juiste beschrijving of betekenis van een woord selecteren. Bij de tweede manier moet je juist een antoniem of synoniem selecteren. Dan toon je aan dat je de betekenis van dat woord én een ander woord kent.