Analogieën oefenen

Ga vandaag nog voor analogieën oefenen. Dit oefenpakket bevat lessen en oefeningen voor alle soorten analogieën die je op het assessment kunt krijgen.

4.4/5

96% van onze klanten beveelt ons aan!

Waarom analogieën oefenen?

Corstiaan Smit

“Specifieke voorbereiding op alle soorten analogieën, alleen bij Hellotest.”

96% van onze klanten beveelt ons aan!

Eelloo Q1000

2.000+ oefenvragen

NOA MCT

2.900+ oefenvragen

PiCompany

1.600+ oefenvragen

SHL

2.500+ oefenvragen

Analogieën oefenen gratis

1

Enkele analogieën oefenen

Bij enkele analogieën moet je 1 woord kiezen om de analogie compleet te maken.

2

Dubbele analogieën oefenen

Nu moet je 2 woorden kiezen om de analogie compleet te maken.

Belangrijkste tip voor analogieën oefenen

Oefenen, oefenen, oefenen! Zorg dat je goed oefent voor analogieën. Als je weet welke testontwikkelaar de test afneemt: oefen dan specifiek voor die test. Dat levert de beste resultaten op.

Wat zijn analogieën?

Een verbale analogie bestaat uit twee woordparen die dezelfde onderlinge relatie hebben. Die relatie ziet eruit als A staat tot B als C staat tot D. Dat betekent zoveel als dat woord A en woord B onderling dezelfde relatie hebben als woord C en woord D dat hebben. Hieronder laten we een aantal verbale analogieën voorbeelden zien.

Analogie voorbeelden

Er zijn heel veel soorten relaties bij analogieën. In onze analogie uitleg worden al die relaties behandeld in een uitgebreide analogieën lijst. Hier beperken we ons tot een aantal veelvoorkomende voorbeelden:

  • antoniemen,
  • categorieën,
  • eigenschappen,
  • functioneel,
  • overtreffende trap,
  • synoniemen.

Hieronder worden deze voorbeelden uitgelegd en krijg je per soort 4 voorbeelden te zien. Daardoor krijg je snel een goed beeld van de verschillende soorten verbale analogieën die je kunt verwachten.

Antoniemen

Een antoniem is een tegenstelling. In dat geval bestaat de analogie dus uit woorden die het tegenovergestelde betekenen. Bijvoorbeeld:

  • Jong en oud.
  • Zwart en wit.
  • Hoog en laag.
  • Ver en dichtbij.

Categorieën

Categorieën zijn precies dat. Iets behoort toe aan een overkoepelende categorie. Bijvoorbeeld:

  • Poedel is een hond.
  • Hamer is een stuk gereedschap.
  • Facebook is een vorm van Social Media.
  • Stoel is een soort meubel.

Eigenschappen

Voorwerpen, dieren en andere zaken kunnen hele specifieke eigenschappen hebben. Bijvoorbeeld:

  • Wortel is oranje.
  • Tomaat is rood.
  • Sneeuw is koud.
  • Zon is warm.

Functioneel

Dit geeft aan waar je een voorwerp voor gebruikt. Probeer altijd aan de meest logische toepassing te denken. Bijvoorbeeld:

  • Hamer gebruik je om te slaan.
  • Computer gebruik je om te werken.
  • Telefoon gebruik je om te bellen.
  • Stofzuiger gebruik je om te stofzuigen.

Overtreffende trap

Deze categorie kom je veel tegen op assessments. Dit heeft zowel betrekking op de taalkundige overtreffende trap als de scheikundige. Bijvoorbeeld:

  • Meer en meest.
  • Koud en kouder.
  • Water en ijs.
  • Stoom en water.

Synoniemen

Het laatste veelvoorkomende voorbeeld van analogieën is de synoniem. Dan moet je woorden die hetzelfde betekenen selecteren. Bijvoorbeeld:

  • Mooi en knap.
  • Oud en bejaard.
  • Uitstekend en geweldig.
  • Ook en evenzo.

Analogieën uitleg

Als je een analogieën test moet maken op het assessment krijg je een flink aantal vragen. De bedoeling is dat je zo snel mogelijk per vraag het juiste antwoord kiest. Dat antwoord bepaal je door de juiste relatie te vinden in de analogie. Vervolgens kies je het ontbrekende antwoord.

Als je analogieën wilt oplossen, is het op de eerste plaats belangrijk om zoveel mogelijk woordparen te kennen. Hoe meer soorten analogieën je kent, hoe makkelijker het woord om het antwoord te vinden. Onze taal is natuurlijk enorm uitgebreid maar je zult merken dat je vaak dezelfde soorten analogieën tegenkomt.

Analogieën voorbeelden

Hieronder zie je een voorbeeld van een enkelvoudige analogie en een dubbele analogie. We werken elke analogie uit en laten zien hoe je tot de oplossing komt. Voor meer voorbeelden kan je natuurlijk de gratis oefentesten maken aan de bovenkant van de pagina.

Enkelvoudige analogie voorbeeld

Bij een enkele analogie moet je 1 woord aanvullen. Daarom is dit een vrij makkelijke analogie. Je krijgt namelijk al een woordpaar. Als je herkent welke relatie dat woordpaar heeft, kan je op zoek naar die relatie in de antwoorden. Het is natuurlijk nog steeds belangrijk om veel woordparen te (her)kennen.

Buiten staat tot Koud als Binnen staat tot … ?

  • Gezellig
  • Warm
  • Winter

Het eerste woordpaar is: Buiten – Koud. Buiten is het koud, dus het is een eigenschap. Het tweede woordpaar begint met: Binnen. Wat is een eigenschap van binnen zijn? Het kan binnen Gezellig zijn; dat is een eigenschap. Maar het kan ook Warm zijn. Het tweede wat opvalt is dat Buiten en Binnen antoniemen zijn. Dus moet Koud een antoniem hebben. Dan moet het dus Warm zijn.

Buiten staat tot Koud als Binnen staat tot Warm.

Dubbele analogieën oplossen

De dubbele analogie is veel lastiger. Je moet namelijk bedenken welke relatie mogelijk is voor twee woordparen tegelijk. Daardoor moet je heel snel in staat zijn om alle soorten analogieën af te wegen. Hiervoor is het dus nóg belangrijker om veel woordparen te kennen.

… staat tot Kieuwen als Vogel staat tot … ? 

  • hengel
  • vis
  • vliegen
  • vleugels

Er is nu geen gegeven woordpaar en we moeten zelf uit de antwoordopties kiezen. We weten nu dus niet welke opties op de eerste plek horen en andersom. We hebben het wel makkelijk gemaakt door ze op volgorde te zetten. Afhankelijk van jouw test krijg je verschillende opties. Bijvoorbeeld twee rijen antwoorden, woordparen of alles door elkaar.

Als je naar de gegeven woorden kijkt, zie je dat één een dier (Vogel) is en de ander een orgaan/ledemaat (Kieuwen). Kieuwen horen bij een dier. Het tweede gegeven woord is een dier. Dus moet het eerste woord een dier zijn: Vis. Een Vis heeft Kieuwen. Dus een Vogel heeft Vleugels. Een vogel kan ook Vliegen maar dat is minder sterk dan Vleugels.

Vis staat tot Kieuwen als Vogel staat tot Vleugels.

Soorten analogieën

Er zijn veel verschillende soorten analogieën. Je hebt natuurlijk de verschillende soorten categorieën van analogieën. Die staan hierboven (deels) beschreven. Maar daarnaast heb je ook op andere niveaus verschillende types verbale analogieën. We maken hierbij onderscheid op basis van niveau en testontwikkelaar. 

Mbo analogieën

Als je op mbo-niveau analogieën moet maken, krijg je soms een eenvoudige vorm. Deze vorm staat ook wel bekend als classificeren. In dat geval krijg je een aantal woorden te zien en moet je het woord kiezen dat er niet tussen past. Een eenvoudig voorbeeld:

Oud, Bejaard, Antiek, Grijs, Jong

Het zal je niet veel moeite kosten om te zien dat Jong er niet bij hoort. Classificeren is eigenlijk een opstapje naar analogieën. Je leert namelijk wel veel soorten categorieën herkennen.

Op mbo-niveau kan je ook enkele en dubbele analogieën krijgen. Het punt is namelijk dat de meeste testen hetzelfde zijn ongeacht niveau. Wat er gebeurt is dat jouw uitslag wordt vergeleken met andere mensen op mbo-niveau. Stel dat het gemiddelde van de mbo’ers 50 punten is. Als jij meer punten scoort, doe je het goed en andersom. Dat een hbo’er meer punten haalt, maakt niet uit.

Hbo analogieën

Als je op hbo-niveau analogieën moet maken, krijg je waarschijnlijk te maken met enkele of dubbele analogieën. Je verwacht misschien dat de analogieën (veel) moeilijker zijn dan op mbo-niveau. Maar dat hoeft helemaal niet. Vaak krijg je namelijk dezelfde test. Jouw score wordt alleen vergeleken met andere hbo’ers.

In sommige gevallen kan het wel zo zijn dat de test steeds moeilijker wordt: een adaptieve test. Dan begin je met eenvoudige woordparen (jong en oud). Maar de test bouwt op naar steeds moeilijkere woordparen (clichématig en afgezaagd). Je mag hierbij woorden verwachten die je op de hogeschool ook tegenkomt.

Wo analogieën

Er is meestal geen apart wo-niveau voor analogieën. Dat wordt samengevoegd met het hbo-niveau onder de noemer Hoog of H. Dat zul je vaak terugzien in de naam van een test, bijvoorbeeld: verbale analogieën h. Ook voor wo zit het verschil in de normgroep. Jouw score wordt vergeleken met andere wo’ers en moet hoger dan het gemiddelde zijn.

Analogieën per testontwikkelaar

Er zijn in Nederland en daarbuiten veel verschillende soorten testontwikkelaars. Elke testontwikkelaar maakt zijn eigen analogieën test. Daardoor zijn er veel overeenkomsten maar zeker ook veel verschillen. Een aantal bekende soorten analogieën van testontwikkelaars zijn:

Analogieën tips

  • Zorg dat je veel synoniemen kent. Die leer je in ons oefenpakket maar je kunt ook een synoniemen woordenboek gebruiken. 
  • Hetzelfde geldt voor antoniemen. Zorg dat je er hier ook veel van kent.
  • Oefen specifiek en op maat voor jouw test. Als je PiCompany verbal analogies moet maken, is het niet zinvol om LTP analogieën te oefenen. Die zijn compleet anders namelijk.
  • Maak voor jezelf een analogieën lijst. Schrijf daar de moeilijkste analogieën op die je tegenkomt. Vlak voor de test kan je die nog snel doornemen.

Start direct met oefenen

Zorg voor een goede voorbereiding op jouw capaciteitentest.

Waarom Hellotest?

Veelgestelde vragen

Een voorbeeld van een analogie is bijvoorbeeld “Wit staat tot Zwart als Begin staat tot Eind”. In dit geval gaat het om tegenstellingen.

Een analogie bestaat uit een aantal woorden met een onderliggende relatie. In principe is er sprake van twee woordparen. De relatie in de woordparen is dan hetzelfde. Bijvoorbeeld “Hand staat vinger als Voet staat tot Teen”. In dit geval zie je snel dat een hand vingers heeft en een voet tenen. Dus de relaties zijn hetzelfde.

Bij een analogie is er een verhouding tussen vier termen waarbij A staat tot B en C staat tot D. Waarbij de relatie tussen A en B en C en D hetzelfde is. Een metafoor is een vergelijking waarbij het een met iets anders wordt aangeduid.

Een analogieën test wordt vaak in assessments gebruikt. Je moet dan een serie analogieën beantwoorden in een bepaalde tijd. Op basis van deze analogieën test krijg je dan een uitslag over jouw verbale capaciteiten.

Een dubbele analogie is de moeilijke versie van een enkele analogie. Bij een dubbele analogie moet je namelijk twee woorden invullen en bij een enkele analogie slechts één. Bij een dubbele analogie moet je dus heel goed de verschillende relaties kennen die analogieën hebben.

In principe zijn analogieën een verbaal onderdeel en daarom worden ze ook wel verbale analogie genoemd. Bij een analogie heb je vier woorden met een bepaalde verhouding tot elkaar: A staat tot B als C staat tot D. Bijvoorbeeld “Koud staat tot IJs als Heet staat tot Stoom”

Om een analogie op te lossen moet je verbaal kunnen redeneren. Je moet daarvoor zowel veel woordkennis hebben maar ook logisch kunnen redeneren. Het oplossen van het logische vraagstuk is daarom een analogie redenering. Dus A staat tot B als C staat tot D.

Analogieën bestaan al heel lang en worden veel gebruikt als stijlfiguur in de literatuur maar ook in het dagelijks leven. Denk bijvoorbeeld aan een verliefd stelletje “Romeo en Julia” noemen.

Met analogieën kun je het verbaal redeneervermogen testen van mensen. Dat wordt vooral gedaan in de vorm van een IQ test of een capaciteitentest tijdens een assessment. Op basis van deze test kan dan een oordeel worden gevormd over de verbale vermogens van een kandidaat. Dat speelt dan weer mee tijdens bijvoorbeeld de sollicitatieprocedure

Verbale analogieën meten hoe goed jij bent in het leggen van verbale relaties. Maar ook hoe goed jij bent in het oplossen van verbale problemen. Het laat zien of je de betekenis van woorden goed begrijpt en kan koppelen aan andere woorden. Het test dus echt jouw begrip van taal.

Verbale analogieën meten hoe goed jij bent in het leggen van verbale relaties. Maar ook hoe goed jij bent in het oplossen van verbale problemen. Het laat zien of je de betekenis van woorden goed begrijpt en kan koppelen aan andere woorden. Het test dus echt jouw begrip van taal.

Om beter in analogieën te worden moet je deze drie stappen volgen: leren welke relaties er mogelijk zijn tussen woorden, een grote woordenschat opbouwen en tot slot heel veel analogieën oplossen. Je moet analogieën echt oefenen door het te doen. Dan pas leer je meer woorden kennen. Maar je ziet ook meer relaties waar je nog niet eerder aan hebt gedacht.

Een voorbeeld van een analogie is: Vogel staat tot vliegen als vis staat tot zwemmen. Een vogel vliegt namelijk en een vis zwemt. De vliegende vis mag je dan buiten beschouwing laten. Net als een eend die in het water zwemt.

Een analogie bestaat uit een aantal woorden met een onderliggende relatie. In principe is er sprake van twee woordparen. De relatie in de woordparen is dan hetzelfde. Bijvoorbeeld “Hand staat vinger als Voet staat tot Teen”. In dit geval zie je snel dat een hand vingers heeft en een voet tenen. Dus de relaties zijn hetzelfde.

Een analogie bestaat uit een aantal woorden met een onderliggende relatie. In principe is er sprake van twee woordparen. De relatie in de woordparen is dan hetzelfde. Bijvoorbeeld “Hand staat vinger als Voet staat tot Teen”. In dit geval zie je snel dat een hand vingers heeft en een voet tenen. Dus de relaties zijn hetzelfde.

Als je een analogie moet oplossen, moet je meestal 1 of 2 woorden aanvullen. Als je 1 woord moet invullen, is het makkelijker. Want dan kan je de relatie tussen twee woorden vinden. Vervolgens kijk je welk woord diezelfde relatie met het gegeven woord heeft. Dit klinkt misschien wat abstract, daarom een voorbeeld:

Hoofd staat tot pet als voet staat tot ?

  • schoen,
  • veter,
  • sjaal.

Een pet zet je op je hoofd en een schoen doe je om je voet. Een veter is wel bij je voet, maar een schoen past beter. Een sjaal doe je natuurlijk om je nek en heeft er niks mee te maken.

Als je een “dubbele” analogie moet oplossen, moet je twee woorden selecteren. Hier een voorbeeld:

Pen staat tot ? als ? staat tot schilderen.

  • schrijven,
  • kleien,
  • kwast,
  • stift.

Je doet iets met een pen, meestal is dat schrijven. Dus waarmee schilder je dan? Met een kwast. Je moet in dit geval dus gelijktijdig twee relaties zoeken en dan de woorden erbij vinden.

Als je een analogie krijgt, moet je de ontbrekende woorden invullen. Je zoekt de relatie tussen de gegeven woorden en vult dan het ontbrekende woord in.

Als je een analogie moet oplossen, moet je meestal 1 of 2 woorden aanvullen. Als je 1 woord moet invullen, is het makkelijker. Want dan kan je de relatie tussen twee woorden vinden. Vervolgens kijk je welk woord diezelfde relatie met het gegeven woord heeft. Dit klinkt misschien wat abstract, daarom een voorbeeld:

Hoofd staat tot pet als voet staat tot ?

  • schoen,
  • veter,
  • sjaal.

Een pet zet je op je hoofd en een schoen doe je om je voet. Een veter is wel bij je voet, maar een schoen past beter. Een sjaal doe je natuurlijk om je nek en heeft er niks mee te maken.

Als je een “dubbele” analogie moet oplossen, moet je twee woorden selecteren. Hier een voorbeeld:

Pen staat tot ? als ? staat tot schilderen.

  • schrijven,
  • kleien,
  • kwast,
  • stift.

Je doet iets met een pen, meestal is dat schrijven. Dus waarmee schilder je dan? Met een kwast. Je moet in dit geval dus gelijktijdig twee relaties zoeken en dan de woorden erbij vinden.

Een analogieën test wordt vaak in assessments gebruikt. Je moet dan een serie analogieën beantwoorden in een bepaalde tijd. Op basis van deze analogieën test krijg je dan een uitslag over jouw verbale capaciteiten.