Algemene informatie

Loyens en Loeff maakt gebruik van de SHL capaciteitentest. Dit is een test die wereldwijd veel wordt gebruikt en waar ook veel kandidaten moeite mee hebben. Het assessment van SHL dat Loyens & Loeff gebruikt bestaat uit drie onderdelen: verbaal, numeriek en abstract. Verbaal redeneren is een onderdeel dat kandidaten met een rechten achtergrond relatief makkelijk vinden. De voorbereiding zit dan vooral in numeriek redeneren en abstract redeneren.

Verificatietest

De SHL capaciteitentest heeft ook een (verkorte) versie die bij bedrijven wordt ingezet als verificatietest. Hierbij wordt de score vergeleken met de eerder behaalde score voor het e-assessment. Als deze score (teveel) afwijkt, kan dat reden zijn om de kandidaat af te wijzen. Deze hertest wordt meestal direct na het gesprek met bijvoorbeeld de recruiter gepland. De kandidaat wordt lang niet altijd van tevoren ingelicht over de hertest. Het is dus belangrijk om goed voor te bereiden op een eventuele verificatietest.

Wanneer wordt het Loyens en Loeff Assessment ingezet?

In principe moeten alle sollicitanten het assessment maken: stagiairs, werkstudenten, starters en seniors. Niet halen van het assessment betekent het einde van de sollicitatieprocedure. Om het assessment te halen dient een hogere score gehaald te worden dan de normgroep. Bijvoorbeeld beter dan 50% van de normgroep. Afhankelijk van de functie kan dit percentage hoger zijn. Vaak betekent dit ook dat solliciteren bij Loyens & Loeff daarna uitgesloten is.

Ook voor de business courses van Loyens & Loeff wordt er gebruik gemaakt van een assessment. Omdat er voor business courses relatief veel aanmeldingen zijn, geldt hier niet alleen beter scoren dan de normgroep. Als teveel kandidaten het assessment halen, kan de score meespelen. Dan worden kandidaten met de hoogste score toegelaten.

Testonderdelen

Loyens en Loeff maakt gebruik van de standaard onderdelen van de SHL-CEB test. Die is opgebouwd uit drie onderdelen: numeriek, verbaal en abstract redeneren.

Numeriek redeneren = tabellen & grafieken

Numeriek redeneren is een onderdeel dat aangeleerde intelligentie toetst. Bij dit onderdeel moeten tabellen en grafieken geanalyseerd worden en vervolgens berekeningen uitgevoerd worden. De berekeningen zijn niet erg lastig, Wiskunde 6 VWO niveau. Het probleem is echter dat veel trucs en berekeningen niet meer bekend zijn. Ook is het belangrijk om de berekeningen snel uit te voeren omdat er relatief weinig tijd voor de vragen is. Hier rekenvaardigheden die bekend moeten zijn:

  • Optellen, aftrekken, vermenigvuldigen en delen.
  • Rekenen met wisselkoersen. Onder andere omrekenen van valuta.
  • Rekenen met indexcijfers. Onder andere het verleggen van het basisjaar.
  • Rekenen met exponentiële vergelijkingen. Bijvoorbeeld om exponentiële groei over een aantal jaar te berekenen.
  • Rekenen met procenten, decimalen, breuken en groeifactoren.

De rekenvaardigheden zijn de absolute basis van dit onderdeel. Met deze rekenvaardigheden moet vervolgens data geïnterpreteerd worden uit bijvoorbeeld:

  • Trendlijnen.
  • Staafdiagrammen.
  • Stapeldiagrammen.
  • Jaarrekeningen.
  • Balansen.

Vanwege het grote aanbod mogelijke berekeningen en vragen is het belangrijk goed te oefenen voor dit onderdeel.

Verbaal redeneren = teksten analyseren

Het onderdeel verbaal redeneren bestaat uit het analyseren van teksten. De kandidaat krijgt een tekst te zien met een stelling. Deze stelling moet met ´waar´, ´niet waar´ of ´niet te beoordelen´ beantwoord worden. Dit lijkt relatief makkelijk waardoor veel mensen dit onderdeel onderschatten. Het lastige aan dit onderdeel is dat alleen de informatie uit de tekst relevant is. Eerdere (algemene) kennis mag dus geen rol spelen bij het beantwoorden van de stelling.

Abstract redeneren = figuurreeksen

Een bekend onderdeel van e-assessments is figuurreeksen. Op basis van een reeks figuren moet het laatste figuur bepaald worden. Elk figuur is gevuld met één of meer elementen. Deze elementen variëren per figuur. Het is de bedoeling om die variatie te herkennen en toe te passen op het laatste figuur. Voorbeelden van variaties zijn:

  • Grootte. Het element wisselt bijvoorbeeld telkens van formaat: klein, groot, klein, groot.
  • Hoeken. Het element heeft telkens meer of minder hoeken: driehoek, vierhoek, vijfhoek, zeshoek.
  • Rand. Alle elementen hebben een gesloten rand of een gestippelde rand.

De figuurreeksen zijn zeer divers en ingewikkeld. Het is daarom belangrijk goed te oefenen en vooral ook figuurreeksen te oefenen.