Het assessment voor beleidsmedewerker Buitenlandse Zaken wordt afgenomen door LTP. Het assessment van LTP kan bestaan uit de volgende onderdelen: tabellen en grafieken, figuurreeksen, matrixen en analogieën. In sommige gevallen kan hiervan worden afgeweken, ga dus altijd uit van de uitnodiging!

Testonderdelen

Numeriek redeneren = tabellen & grafieken

Bij dit onderdeel moeten tabellen en grafieken geanalyseerd worden en vervolgens berekeningen uitgevoerd worden. De berekeningen zijn niet erg lastig, Wiskunde 6 VWO niveau. Het probleem is echter dat veel trucs en berekeningen niet meer bekend zijn. Ook is het belangrijk om de berekeningen snel uit te voeren omdat er relatief weinig tijd voor de vragen is. Hier rekenvaardigheden die bekend moeten zijn:

  • Optellen, aftrekken, vermenigvuldigen en delen.
  • Rekenen met wisselkoersen. Onder andere omrekenen van valuta.
  • Rekenen met indexcijfers. Onder andere het verleggen van het basisjaar.
  • Rekenen met exponentiële vergelijkingen. Bijvoorbeeld om exponentiële groei over een aantal jaar te berekenen.
  • Rekenen met procenten, decimalen, breuken en groeifactoren.

De rekenvaardigheden zijn de absolute basis van dit onderdeel. Met deze rekenvaardigheden moet vervolgens data geïnterpreteerd worden uit bijvoorbeeld:

  • Trendlijnen.
  • Staafdiagrammen.
  • Stapeldiagrammen.
  • Jaarrekeningen.
  • Balansen.

Vanwege het grote aanbod mogelijke berekeningen en vragen is het belangrijk goed te oefenen voor dit onderdeel.

Abstract redeneren = matrixen

Het moeilijkste onderdeel van het assessment is ongetwijfeld de matrixen. Een matrix bestaat uit negen vlakken, drie bij drie, waarbij het laatste vak bepaald moet worden. Het is dus een soort figuurreeks alleen moet er nu zowel verticaal als horizontaal beredeneerd worden. Net als bij figuurreeksen kunnen de elementen nu variëren op basis van: positie, kleur, vulling, draaiing en meer. Omdat matrixen als een zeer lastig onderdeel wordt ervaren, is het aan te raden dit goed voor te bereiden.

Abstract redeneren = figuurreeksen

Een bekend onderdeel van e-assessments is figuurreeksen. Op basis van een reeks figuren moet het laatste figuur bepaald worden. Elk figuur is gevuld met één of meer elementen. Deze elementen variëren per figuur. Het is de bedoeling om die variatie te herkennen en toe te passen op het laatste figuur. Voorbeelden van variaties zijn:

  • Grootte. Het element wisselt bijvoorbeeld telkens van formaat: klein, groot, klein, groot.
  • Hoeken. Het element heeft telkens meer of minder hoeken: driehoek, vierhoek, vijfhoek, zeshoek.
  • Rand. Alle elementen hebben een gesloten rand of een gestippelde rand.

Verbaal redeneren = analogieën

Veel kandidaten vinden het moeilijk om analogieën op te lossen. Bij een analogie is het de bedoeling dat een relatie tussen twee woorden wordt herkend. Vervolgens moet voor een nieuwe woordgroep het ontbrekende woord ingevuld worden.

Het nadeel van analogieën is dat het niet cultuurvrij is. Dat betekent dat mensen met een bepaalde achtergrond voordeel hebben. Neem bijvoorbeeld een student Nederlands die analogieën maakt versus een internationale student Business. Als de analogieën dan in het Nederlands zijn, heeft de student Nederlands een voordeel.

Omdat het geen cultuurvrij onderdeel is, is het goed dit onderdeel te oefenen. Voor kandidaten die veel met taal bezig zijn, zal dit een makkelijker onderdeel zijn. Dan is het vooral goed om de verschillende soorten analogieën te leren. Dat voorkomt verrassingen op het assessment.